“Teresa in drievoud”

Teresa van Avila is een van de beroemdste mystici onder de katholieke heiligen. De oorspronkelijke Spaanse naam van Teresa van Avila is Teresa Sánchez de Cepeda y Ahumada. In 1515 wordt zij in Avila geboren als dochter van een Spaanse edelman.

Op 2 november 1535 treedt zij in in het karmelietessenklooster “De Menswording” (La Encarnación) te Avila.

In de navolgende serie wil ik u kennis laten maken met Teresa.

 

Afbeelding 1

De afbeelding, waarmee ik deze reeks wil beginnen, is verreweg de beroemdste artistieke verbeelding  met betrekking tot de orde. Het  gaat om  Gianlorenzo Bernini ’s  ‘de extase van de heilige Theresia’  te zien in een kapel van de kerk van Santa Maria della vittoria in Rome .  De kapel (1646 – 52) is in zijn geheel door Bernini ontworpen voor de familie Cornaro en het beeldhouwwerk van Teresa ’s extase is hiervan het stralende middelpunt. Verbazingwekkend is hoe dit  kolossale en hoge werk zo  zwevend kan zijn. De twee gestalten drijven als op een wolk. Stof raakt aan geest en boven raakt aan beneden. Bernini heeft dit ogenblik in de steen ontdekt en het van boven belicht via een vanuit de kapel onzichtbaar raam.

De stijl is barok en barok is  veruitwendiging, van alles, is ‘het grote schouwtoneel der wereld’ en van ieder ding daarin. Dus ook het innerlijkste dient zichtbaar gemaakt en dat vaak in een vooral in de R.K. landen uitbundige en zeer vitale vormentaal.

 

Uitgangspunt  voor de beeldhouwer is uiteraard Teresa’s eigen beschrijving  van  wat er aan haar  gebeurd; de zogen. (hartdoorboring)  Op de kerkbank die  haar kapel afsluit ligt haart boek open de deze pagina. Veel besproken is de gelaatsuitdrukking van Teresa. Bernini heeft de mystiek eenwording  verbeeld door het meest sprekende en vitale moment  van de vereniging tussen twee mensen. Je moet behalve een moedige –het  domme gegniffel is  in de eeuwen sindsdien  eigenlijk nooit verstomd– ook wel een zuiver eerlijke  verbeelding  hebben om  juist zo de  eeuwigheid en tijd aan elkaar te laten raken.

Maar misschien nog  wezenlijker  voor ons begrip is de compositorische opbouw. De  vierhoek tussen (a) de verste hand van de engel, (b)diens hoofd, (c)het hoofd van Teresa en (d)haar voet. En daarbinnen weer vormen de hand(a) van de engel, diens hoofd (b) samen met het hoofd (c) van Teresa een zowat gelijkbenige driehoek, optisch wat verdoezeld door de ruimte tussen de twee hoofden, maar toch met  de lijn tussen de hand  van de engel en het bijna even hoge hoofd van Teresa als basis. Waarmee de betrekking tussen God en mens  zichtbaar wordt en de aard er van.

Ik vraag me af hoe het schilderij zich zou laten interpreteren als ik het ik kleur kon zien. Rubens is immers  zo’n beetje de vader van de  school die schildert met kleurvlakken  en niet met lijnen.  Maar dat kan niet, dat  kijken  in kleur. Pieter Paul  Rubens vervaardigde  het doek in omstreeks 1614 voor de  nieuwe kerk van onze  orde in Brussel. In 1811 werd die kerk afgebroken. Wat er precies met het  altaarstuk gebeurd is, is niet duidelijk. Maar in elk geval kwam het in de kunsthandel  terecht en in 1940 is het in Londen bij een brand verloren gegaan.

Wat we hebben, zijn foto’s als deze in zwart/wit.

 

Afbeelding 2

De ‘hartdoorboring/extase van Teresa’ is kunstzinnig het meest bekend  in de gebeeldhouwde versie van Bernini  (zie de 1e afbeelding in deze reeks). Rubens  maakte naar ditzelfde onderwerp een schilderij, waarvan veel minder  mensen weten. Christus verschijnt haar vergezeld  van een engel  met een  lange pijl  met een vlammende punt. De  knielende Teresa wordt ondersteund door een andere  En Christus is helemaal de hemelse Heer. Het stralende naakt wil dit, zoals vaak in de barok, nog extra benadrukken.  Maar in dit  schilderij ligt deze nadruk bijzonder sterk en wel op Jezus alleen. HIJ, stralend! Verder lichten alleen de hoofden. Een klein beetje op de achtergrond, het tweede plan, de hoofden van de geheel geklede engelen; op een lijn parallel dalend met de lijn tussen Zijn gelaat  en dat van Teresa.

Teresa nu is heel jong nog, vele jaren jonger  dan op dit  zo bijzondere  moment waarover zij in het Boek van haar leven vertelt.  De  verticale lijn van licht die op haar kleren valt is eigenlijk, een zwakke variant, een afstraling  van het licht in de andere  verticale lijn, die van verheerlijkte Gestalte tegenover haar. Rubens heeft het over hen beide en alleen over hen. Zijn hand dirigeert die van de engel met de pijl. Teresa en de engelen kijken naar Hem maar Zijn oogcontact is er alleen met zijn handeling, het dirigeren van de pijl en bijna met haar. Een verrassende verbeelding eigenlijk, gedurfd maar  heel anders dan bij Bernini. Niet een beeld voor iets waar geen beelden voor zijn, maar de bevestiging van een band. Een opname in een verbond. Iets als een ridderslag.  Maar mogelijk leidt voorweten hier het oog, want ik moest  denken aan ‘Gods  Edelvrouwe’, de ooit zo bekende biografie van Marcelle Auclair over Teresa’s leven. In de eerste  Nederlandse vertaling had  die levensbeschrijving als ondertitel “Gods dolende edelvrouwe”. In de huidige  uitgave is dat zelfs de hoofdtitel. Dat ‘dolende’  was ik vergeten. En het past ook niet echt, vind ik. Want Teresa heeft wel veel  gereisd voor haar kloosterstichtingen, maar  dat was toch van een andere orde dan de tochten van dolende  ridders, die  ‘kampioenskandidaten voor de roem’. En – met alle respect voor beide- vanuit een andere aandrang  dan in Cervantes’ boek over de ‘ridder van de droevige figuur’. En haar hoofd is ze nooit kwijt geweest, integendeel. Maar ‘edelvrouwe’,  ja dat wel.

Rubens verbeeldt dat gedurfd androgyn  als de bevordering van de schildknaap tot ridder aan het hemelse hof. En in deze verbeelding is haar naaste verwant dan eigenlijk Jeanne d ‘Arc. Teresa ’s  extase  verbeeld als bijna een ridderslag, maar dan niet met groot vertoon want tegelijk werkt deze voorstelling, geconcentreerd rond de vier hoofden en de twee gestalten, heel intiem.

 

Afbeelding 3

Een week geleden plaatste ik hier  een  zwart /wit prent van een altaarstuk over Teresa’s hartdoorboring in de visie van Rubens: Gods “edelvrouwe” die van schildknaap tot  ridder wordt, zo leek het daar in een gedurfde opzet. Het  schilderij, ooit gemaakt voor de kerk van onze paters in Brussel, ging verloren bij een brand in Londen in 1940. Waarschijnlijk is de afbeelding die ik nu laat zien oorspronkelijk een van de twee predellas (voetstukken) van dat grote altaarstuk. Voor deze  predella  gebruikte Rubens waarschijnlijk  als voorbeeld een prent , die hij vond  in een pas verschenen  boek (1613) over Teresa; een heiligenleven, al was ze toen nog (net) niet eens zalig verklaard. Maar haar faam werd al groter en dus moest er snel gehandeld worden. Dat gold hier vast ook voor Rubens. Het gaat om een gebeurtenis uit haar leven omstreeks 1569 op de vooravond van Pinksteren tijdens een meditatie. Toen, schrijft Teresa zelf,  verscheen haar de H. Geest in de gedaante van een duif. Met de prent als voorbeeld werd het  snel een geslaagd schilderij. Alles staat er op en ‘volgens het boekje’: de duif schitterend in een wolk, de aanstaande heilige met alvast een  kroontje op haar hoofd en de Schift op tafel met kruisbeeld en vanitas (ijdelheid ‘s) symbool, want zo hoort dat. Ach ja, dat obligate doodshoofd. Als er nu echt iets niet bij Teresa paste dan is het dat wel. En een contactpijl van haar (de H. Geest) naar haar, de aanstaande  heilige.. Teresa lijkt intussen zonder reden aanzienlijk ouder dan op het altaarstuk zelf. Dat zal de schilder in de haast even ontgaan zijn. Maar wat – anders dan op het grote doek – vooral ontbreekt  is een eigen ‘kijk’. Al blijft het een kleurenfeest om naar te kijken, dat wel. Het schilderij is al heel lang los van het altaarstuk en gelukkig behouden. Het is nu in het bezit van het museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.

 

Het belang van de vierhoek is vooral  gelegen in een diagonaal. Deze loopt vanaf het hoogste punt, het hoofd van de engel, naar het laagste punt, Teresa ’s voet, en verbindt hemel en aarde dwingend voor het oog. Maar vooral: op de diepere deel van die lijn, tussen hoofd en voet van Teresa, golven de kleren om haar lichaam omlaag als bijna een waterval en maken daarmee zichtbaar wat niet te zeggen valt, haar overgave.

Beelden vinden waar niet eens woorden voor zijn: je leven verliezen, graag, en het vinden, opnieuw.

 

“Terug naar de wortels”

Afbeelding 4

De bijgaande foto is genomen in Aveiro (midden Portugal) in de kapel van het karmelietessenklooster aldaar. Overrijke barok alom. Het was immers de tijd van de contrareformatie. Barok maakt van de wereld een schouwtoneel, zowel van het geziene als van het ongeziene: al wat  je zou moeten, kunnen of mogen zien. Zo ook hier. Het plafond  en zeker de koepel, in die barokke kapel is vast en als zo vaak de hemel. Maar dan de wanden! De wand op de foto toont begint met de bekende Portugese tegeltjes (azulejos). Die heb hier  weggeknipt om op de pagina meer ruimte te maken voor  de rest daarboven.

Want dat daarboven, daar gaat het nu even om.

Hoog tegen de wand, bijna  op de overgang naar het plafond , zien we de vurige wagen van Elia, inderdaad op weg naar  de hemel. Hij maakt een gebaar ten afscheid naar beneden. Daaronder vangt Elia  de hem toegeworpen profetenmantel op. Als iets minder bekende  opvolger van de grootste der profeten staat zijn naam er bij.in het Portugees, Eliseo. Maar ter nadere aanduiding is daar ook zijn uit het  2e boek der Koningen (2Kon,2,23) bekende  kale hoofd.

 

Wat doet Elia echter?  Hij spreidt op zijn beurt de mantel uit over een karmelietes en een karmeliet. Teresa en Juan ongetwijfeld. De twee boegbeelden van de Theresiaanse  karmel. Teresa heeft  een boek in de hand. Juan houdt  een ganzeveer. Voor hen  ligt een  boek op de grond, en op het boek een  lelietak. Is het boek de bijbel  -of een werk van Juan?- en zijn dan de drie lelies de drie geloften? En de vierde bloem, nog in de knop, is dat dan de belofte van zo’n gewijd leven, zoals dat in een persoonlijk ontwerp tot bloei moet komen….?   Misschien. Maar ook de interpreterende  verbeelding kan barok worden.

Zekerheid is er in ieder geval wel over het hoofdelement van de schildering, de profetenmantel. Elia, die de mantel vangt, staat enigszins opzij.  En hij spreidt die mantel meteen verder. De geschiedenis van Elia en “de Heer voor

wiens aangezicht  ik sta” en van de profetenschool van de Karmel ging door  en gaat  door – zegt de schildering –   en doet dat in een rechte lijn. Maar ook als een boom  met takken. Over dat eerste begin van die boom, dat eerste

begin van de orde, zo’n  kleine  400 jaar voor Teresa  nader op  een volgende afbeelding.

 

Als mensen  je zo iets vragen als: “je  ei net  ‘Karmelitaans Centrum voor Spiritualiteit’. Wat is dat eigenlijk , vooral dat Karmelitaans’?” Dan moet je proberen om met grote stappen snel thuis te kunnen komen.

“Nou spiritualiteit is wat ons betreft op de eerste plaats niet iets esoterisch. Zeg  gewoon ‘de melodie’, als je wilt ‘het leidend liedje van je leven.  En dan die Karmel. “Vergelijkt het met een boom “zeg ik dan wel. Dat is natuurlijk niet echt een vondst, maar het is wel handzaam. Een boom van ruim acht eeuwen oud. Uiteraard nu met de nodige takken, dikke, dunne, jonge, oude. En ergens vlak boven  de wortels vindt u even vóór het jaar 1200 een groepje semi – eremieten op de berg Karmel. Ze woonden daar bij de bron van Elia op die berg. En omdat ze semi – eremieten waren hadden ze ook een leefregel voor het onderlinge. Geen stichter dus  maar wortelend op een berg waar alles nog verhaalde van de profeet Elia, die daar woonde. En  met zijn verhaal als begeestering.

Een berg, een bron en een regel samen voor ieder afzonderlijk. Dat is de grootste gemene deler voor hen en voor alle takken later.

 

De berg die je op moet gaan wordt ook een berg naar binnen en de bron waaruit je onderweg drinkt is spiritueel de traditie van het reiken naar dat  wat mensen te boven gaat en dat toch tegelijk in je is. Te beginnen bij de profeet Elia en het zacht suizelen van een briesje waarin hij God voorbij voelde gaan na een levenscrisis verbeeld in aardbeving, vuur en storm. Dat was trouwens niet op de Karmel, maar op de Horeb waarheen hij moest vluchten. Het staat in 1 koningen  19 en we hebben het in alle generaties sindsdien met grote ijver gelezen.

Er is een kalligrafie van de bewonderenswaardig korte leefregel met in het midden een lege cirkel. “Met de liefde als midden “, zo staat er ook ongeveer in het midden van de regel. En dat moet dan door ieder worden ingevuld. Aan de andere kant verbeeldt die cirkel ook het zo vaak tevergeefs benoemde onbenoembare. En het reiken naar haar heeft dus – te beginnen bij Elia – vele vonkende ervaringen gekend: altijd beleefd en door sommigen ook opgeschreven. Bij elkaar is dat het gemeenschappelijke veelvoud van alle takken van de boom.

 

Afbeelding 5

En hieronder staan ze dan afgebeeld, de  mensen van de eerste tak, de semi-eremieten. Ze staan op de predella (onderdeel van een altaarstuk) door Pietro Lorenzetti. Geschilderd in het eerste kwart van de 14e eeuw voor de karmelieten in Sienna. De schilder heeft duidelijk geprobeerd om de geschiedenis recht te doen. Zijn opdrachtgevers zullen hem enigermate hebben voorgelicht. Want de eerste karmelieten droeg inderdaad van die wijde mantels, breed gestreept. Het huisje en de bron zijn wel weer duidelijk Italiaans van twee eeuwen later. Maar de bron stroomt en boven de monnik die het water schept komt Elia’s raaf, of  is het al een engel, aangevlogen. Levend water en voedsel, want zoals wij weten, brengen Elia’s raven geen dood maar brood, levend brood. Misschien daarom is het schilderij ook wel benoemd als “Elia en Elisa en een monnik op de berg Karmel.” Het ‘boek de eerste monniken’ zou het graag zo gewild hebben. Een lijfelijke stamboom van karmelieten sinds de tijd van Elia: oudere adelbrieven dan deze zijn er wel haast niet. Feiten weerleggen de claim op fysieke waarheid, maar spiritueel ligt dat natuurlijk anders. Je kunt sinds Elia niet op de berg Karmel wonen en de schriften lezen in welke tijd dan ook zonder te denken aan hem en de profetenzonen. Elia denkt en leest daar over je schouders mee.

 

Zo staat het verleden telkens  vast, tot nader inzicht dan. Maar hoe zit het met de toekomst? Kun je herbronnen?

Net zo min als je de bron zo maar naar het verleden kunt verleggen, kun je het zelfde water twee keer uit haar putten. Herbronnen  is geen imiteren.  En de ‘oorspronkelijke’ regel is trouwens in zichzelf al gelaagd. Er is de eigenlijke brief van de patriarch en er zijn te aanpassingen die Innocentius de vierde invoerde toen de eremieten zich moesten aanpassen aan het middeleeuwse Westen. Het voorbeeld maakt meteen ook duidelijk dat je 800 jaar niet kunt terug buigen of overslaan. Maar binnen die beperkingen is de vraag  gerechtvaardigd en intrigerend: wat zou jij, jij zonder streepjesmantel of latere witte mantel of latere klerikale tonsuur of zelfs zonder broeders in het huisje naast je, maar wel net als die monnik water scheppend uit de bron…. Wat zou jij schrijven aan de patriarch van Jeruzalem als je hem zou vragen om een regel. De patriarch schreef toenmaals ongeveer op wat Brocardus en zijn broeders hem vroegen om op te schrijven. Dus ga je gang in deze, in welke tijd dan ook.

 

Afbeelding 6

Het gebeurde in de zomer van 1251, zo gaat onder ons het verhaal. En Alfonso Balzico maakte er ruim zes eeuwen later, mogelijk in 1860, een gebeeldhouwde voorstelling van. Balzico werd geboren in 1825, kreeg zijn opleiding in Zuid Italië en bewoog zich sindsdien naar het noorden. In latere jaren werd hij bekend van de standbeelden voor het Italiaanse koningshuis van Savoye. Maar hij maakte ook werk op  religieuze thema’s

Het beeld op de volgende bladzijde is van halverwege  zijn tocht naar het noorden en van de plek waar hij later weer naar terugkerende en in 1901 stierf. Rome dus. Mogelijk is het ook van halverwege zijn ontwikkeling van classicisme naar romantiek. Het geldt als een van zijn beste werken.

Maria is hier afgebeeld met achter haar hoofd de 12 sterren, ontleend aan  het boek van de Openbaring (Openbaring 12.1) en ook terug te vinden in het karmelwapen. Onze-Lieve-Vrouw van de Berg Karmel, inderdaad.

 

Zij is hier het hoogste punt in de driehoek van drie hoofden met  schuin naar linksonder haar Zoon en rechtsonder en weer iets lager Simon Stock. Simon ontvangt het scapulier. Verder naar beneden rondom de troon van de moeder Gods zweven nog twee putti met een mandje met bloemen. Maar de spanning in de marmeren beeldengroep zit in de lijnen tussen de drie hoofden en dan vooral in de lijn tussen Maria en Simon. Terwijl het kind Jezus, een kleuter eigenlijk al, zich half ter linkerzij van zijn moeder met het gebeuren harmonieert. Hij is staande afgebeeld en dat draagt bij aan de indruk van actie waarin Simon half geknield nadert en zij naar voren lijkt te komen in het schenkende gebaar. Er ligt een ingetogen welwillendheid in de houding van haar hand en de lijnen van haar gezicht. En hij kijkt in verwachting naar haar, naar haar hand en naar het kleed dat zij beiden vasthouden. Met iets van wantrouwen kijkt hij ook, iets van “zou het waar zijn?”. Hij heeft wel een sterk hoofd, hoewel: al langer geleefd, en al lang niet meer zorgeloos.

De gave van het scapulier door de Moeder Maagd is binnen en buiten de orde letterlijk niet onweersproken; nooit geweest waarschijnlijk. Wat klopt er van, historisch?  Zelf heb ik  spiritueel niet zoveel met dat ’echt gebeurd’. En in de kunst kom je met die eis nooit verder dan ’net echt’. Of iets ‘waar’ is, vind ik als vraag aansprekender.

Het verhaal gaat dan dat in de nacht van 15 op 16 juli van het jaar Onzes Heren 1251 Simon Stock in Cambridge niet kon slapen. De vijfde generaal van de karmelorde zag niet hoe zijn mensen met hun levensstijl en traditie van de Berg Karmel in West-Europa een plek konden vinden tussen zovele andere groepjes en groepen in kerk en samenleving. En dat was toen voor een groot deel hetzelfde. Naar buiten was het dringen geblazen en naar binnen was er de onvermijdelijke richtingenstrijd. En toen ontving hij in een droomgezicht een veilige geborgenheid. Die beleving kon, in vertelde ervaring omgezet, worden doorverteld en verbeeld ,zoals hier door Balzico, en symbolisch vertegenwoordigd in het scapulier, die antieke voorschoot die hier ultieme veiligheid wordt. Bekleed je met het scapulier en je zult gered worden.

Beleving, vertelde ervaring, symbolische representatie…. Ik benoem hier het gebeuren benoemen met onderscheidingen uit de 20e eeuw. Maar al heel gauw in de 13e eeuw, misschien al meteen, is die veiligheid van het scapulier juridisch benoemd en gedetailleerd en daarmee eigenlijk vervalst. Dat wil zeggen: als je dit en dat allemaal deed dan kwam het uiteindelijk allemaal goed. En indien zo waarachtig beleefd en geloofd is dat ook waar, want je hele leven staat dan in het teken van dit kleed waarmee je blijvend bent bedekt. Maar  als een mens zijn leven bevestigd weet is dat toch iets anders dan een bloedeloze optelsom. “Juristen sind slechte Christen” zei Luther al, en het broertje van deze is de boekhouder.

Van dit alles is op de beeldengroep van Balzico –  zie het gelaat van de Moeder Gods en het gezicht van Simon Stock – nog niets te merken, gelukkig maar. Zij geeft zacht overtuigend; hij krijgt, aarzelend en nog aan het begin van het besef dat hij en de zijnen er mogen zijn. In de elegante plooien van dat kleed voor alledag komt moed mee en het ook ruggelings vertrouwen dat het goed zal komen.

De beeldengroep van de Moeder, haar Zoon, en haar zorgenkind heeft een ereplaats in de Santa Maria de la Vittoria, onze kerk in Rome. Dat is in de voorste zijkapel rechts en recht tegenover die eerste aan de linker kant, die van de Corona familie met Bernini ‘s al even omstreden verbeelding van hoe God Teresa kuste. “Zie je wel, Simon, het kwam goed, want dat was drie eeuwen later!”.

 

Afbeelding 7

Op enig moment werd tijdens een vergadering van medewerkers van het KCS de vraag gesteld naar visuele of visueel te maken symbolen van de karmelitaanse spiritualiteit. En onmiddellijk werd toen verwezen naar de berg Karmel  en de bestijging daarvan (Juan de  la Cruz) en naar de innerlijke burcht  en het  betreden en verkennen daarvan(Teresa). Ook de bron – met een verwijzing alweer  naar (het gedicht van) Juan de la Cruz – werd meteen genoemd.  En die bron bracht mijn eigen gedachten daarna nog even naar de Elias’ bron waar de eerste karmelitaanse semi- eremieten woonden. ( zie  ook afbeelding 5)

Maar eigenlijk valt aan die plek en van al veel eerder met zekerheid  ten minste nog een ander beeld  te ontlenen. En dat is ook gedaan. Het gaat om kleding, d.w.z. de betekening die zij geeft en de bescherming die zij biedt.

In het 2e  boek van de Koningen  (2 Kon. 2) vaart Elia ten hemel in een vurige wagen en met paarden van vuur, terwijl zijn mantel wordt opgeraapt door Elisa. Het is met name in de oosterse kerk en natuurlijk ook in de verbeelding  binnen de Karmel in wandschilderingen en schilderijen altijd een dankbaar thema geweest (zie afbeelding 4). En de mantel werd Elisa al eens eerder toegeworpen toen hij door Elia tot het profetenambt werd geroepen (1Kon. 19,19).

 

De figuren van Elia en Elisa als verre voorzaten! Hoe kun je anders kiezen, wonend op hun plek, levend in de schaduw van hun geschiedenis en misschien ook nu en dan uitkijkend vanaf de plek waar hij, Elia, ooit een wolk zag groeien boven zee. Een wolk  waarin de broeders, levend in de duidingssfeer van na Jezus geboorte en van al vele eeuwen christendom sindsdien, moeiteloos een voorafbeelding herkenden van de wolk “Maria”, die zou komen om de Rechtvaardige te regenen.

 

Elia, de karmel en Maria. Zijn feest wordt gevierd op de 20e juli. Haar feest en dat van hun berg  is al op de 16e van die maand.

En dat laatste feest kwam zo: wanneer de Karmelorde, naar West Europa gekomen en nog tamelijk ontheemd, op zoek is naar een eigen plek tussen alle anderen, ontvangt Simon Stock een scapulier, als teken van bescherming en betekening voor alle orde-genoten en ieder die zich met hen wil verbinden. (zie afbeelding 6)

Er was een rijke, oude, in sprekende beelden geschreven Bijbelse geschiedenis en er was de nood der tijden en in het samenkomen van die twee hebben mensen juist dit lied van hun beleefde leven gezongen.

Ik denk dat we in deze samenhang ook naar deze 7e afbeelding moeten kijken.

De moeder spreidt haar mantel uit. Een keer van de vele, want het motief van de mantelmadonna was en is al sinds de middeleeuwen over een brede linie onverminderd populair: haar zorg en toewijding en hun toebehoren aan haar. Alles zo direct en sprekend in ieder ’s beleving dat het wel nergens en voor niemand een uitleg behoeft. Dit keer schuilen de broeders van de karmel bij haar.

 

Kleding dat weet wat. Het betekent je, het beschermt je, ook hier. Maar in dit verhaal van profeten en orde-broeders valt me daarnaast vooral op

dat je haar krijgt, die kleding, want mantel en scapulier zijn niet zelf gemaakt of gekocht maar zij worden doorgegeven net zoals het je gegeven wordt om onder Maria’s  mantel te schuilen, en het valt op dat het zó hoort bij deze ‘verbeeldingen’  dat het allemaal gekregen is, genade is, dat we het liedje van ons leven wel zelf zingen maar dat het zich in oorsprong en ook ten laatste onttrekt aan onze eigenmachtigheid.

 

 

“Een eigen weg tussen andere..”

Afbeelding 8

De orde vond na de 13e eeuw een eigen weg in de samenleving en er kwamen namen van gezag die er  toe deden in de wereld  rondom en die toch hun, onze, eigenheid bewaarden. Petrus  Thomas is een  goed voorbeeld.

Petrus Thomas,  werd geboren in Frankrijk, in de Perigord (Dordogne). Dat was in de 14e eeuw. Het moet een bijzonder begaafd kind geweest zijn, want hoewel afkomstig uit een verarmde boerenfamilie, bracht hij het tot taalleraar. Hij trad in in de Orde, werd magister in de theologie en procurator generaal. Een snelle carrière. En eenmaal in de aandacht schakelden pausen hem in voor diplomatieke missies, met name naar het oosten en de afgescheiden kerken aldaar: Servië en later Constantinopel. Nog weer later was hij diplomatiek verbonden met het verdedigingsfront in de Levant (paus, Venetië, Cyprus, Rhodos) en de kleine kruistocht van 1365. Op terugtocht daarvan stierf hij in 1366 in Famagusta op Cyprus.

Bij al die onderhandelingen, groeiend in belang, moest ook zijn eigen stoel aan tafel natuurlijk groter zijn dan het eenvoudige Carmel -bankje. Hij werd dan ook bisschop van diverse steden, aartsbisschop van Kreta en tenslotte patriarch – pauselijke benoemd uiteraard – van Constantinopel.

Voor de kerk van de heilige Albertus in Sevilla maakte Francisco de Zubarán een altaarstuk. Ergens na 1632. En het paneel daaruit met het portret van Petrus Thomas staat hieronder. Zubarán schetste hem van opzij, de draai naar links, de Europese blik naar het oosten. Nogal middeleeuws eigenlijk, zo  en profiel. Maar Zubarán is de schilder van het wit. En zo kon hij de meeste aandacht geven aan de mantel van die kleur. En dat deed hij. Hij voldeed ook vast aan de wensen van zijn opdrachtgevers want de heilige draagt de hoed die hij altijd op had, leest het brevier waarvoor hij nooit ook maar één dag dispensatie zocht en draagt, patriarch of niet, het orde-habijt waar hij altijd de voorkeur aan gaf.

En ja die mantel, die weet wat in de orde-historie. Al op de Karmel, in de ochtendschemer van het eigen begin, werd mythisch teruggekeken naar de mantel van Elia, waarmee deze de wateren van de Jordaan scheidde en die hij naliet aan Elisa. En dan hun eigen mantel met zeven bruine en witte banen die hen omhulde met drie goddelijke en vier kardinale deugden maar….. die in het westen ook de spotlust opwekte. “Er loopt een streepje door je heen “, dat soort humor, denk ik, moet je je misschien voorstellen.

En zo werd sinds 1287 de mantel niet meer gestreept maar wit. ‘White Friars’ zeggen ze nog altijd in de Engelse volkstaal. In het dagelijks leven was het natuurlijk ook nu nog steeds een onmogelijk kledingstuk. En in ieder geval sinds veler mensen’ heugenis is hij eigenlijk alleen nog ceremonieel – liturgisch in gebruik.

En Francisco de Zubarán schilderde de mantel in zijn volle belang om zijn onderwerp heen

Zo ook hier. Omhullend en zo onthullend ook. Want, wat is het? De mantel der liefde? Nee. Die van de gerechtigheid? Ook niet. De mantel van de bescherming dan? Ook al niet. Daar schuilden ook de Karmelieten zelf onder bij de Madonna. Het exclusief ceremonieel gebruik brengt mee dat er nogal wat foto’s zijn waarop een enkele maar vaker ook vele Karmelieten samen staan afgebeeld. En dan zie je dat de mantel er eerst en vooral een is die verschillen toedekt, veel meer nog dan het habijt zelf al deed. Gelijke monniken.

Maar eigenlijk – en dat zie je als je naar deze afbeelding van Petrus Thomas kijkt – gaat het verder dan een liturgische gebedsmantel. Daaronder en daarachter is het een mantel van verdwijning.

Immers, wat is de mens nog die zich omhult, zich inpakt – zie de prachtige plooien rond zijn arm – met dat wat groter is dan hijzelf. Hij wordt minder en minder en in al  dat wit, dat hem nu omhult, is hij niet meer echt bepaalbaar. Want, wat is wit anders dan dat wat zich aan onze bewerking onttrokken heeft of zelfs nooit in onze handen is geweest? Wij gaan er in op, worden minder en minder en ,als we zouden luisteren, een en al oor. En als we spreken, zoals hier nog, een en al woord.

Maar een bescheiden woord altijd. Want wie durft nog hoog te spreken als hij bekleed wordt met iets wat hem omvat. Omhuld-zijn maakt ten diepste ingetogen. De mantel, aandachtig om je heen geslagen, lost je op uit staat en stand en ontrafelt een mens uit de windsels van zijn eigen maaksel. Geen taalleraar meer noch diplomaat, geen patriarch meer enkel nog een kloosterbroeder.

 

Afbeelding 9

Een eigen weg naast andere wegen, dat valt niet altijd mee. Voor hun komst naar het westen moesten de eremieten/vluchtelingen van de Berg Karmel een duur kaartje kopen. (Zie ook afbeelding 6). Maar de belangrijkste concessie om toegang te krijgen tot kerk en samenleving hier was – en van toen tot nu is de strijd hierover gaande – het opgeven van hun eremieten bestaan. Voortaan leefden ze ingeschoven in het hokje van de bedel- orden. Niet dat ze ooit rijk waren. Maar ze leefden nu  niet enkel een beschouwende staan maar net als franciscanen, augustijnen en dominicanen waren ze ingeschakeld in het pastoraat, vooral in de toen groeiende steden. Daarvan – van de giften die zij zo ontvingen – kwamen ook hun inkomsten. Het platteland, hun oudste habitat, waar ze van de opbrengst van het werk van hun handen hadden geleefd, was hier al lang en breed de plaats van de abdijen. Het werd vanaf nu dus een leven van zowel afstand als betrokkenheid en dat in de stad.

Leven vanuit één bron, beschouwing,  langs twee wegen,  beschouwing en pastoraat, naar één doel, zo is het wel omschreven. Het doel was zoals de regel omschrijft ‘leven in navolging van Jezus Christus’. Geen onduidelijkheid. Maar ja, die twee wegen…. Critici hadden het dan over hinken op twee gedachten. En altijd verloor door noodzaak of verlokking het beschouwende deel. Toch? Nee, dat is niet waar: de directe betrokkenheid bij het pastoraat heeft ook menig zelfbenoemde hoogvlieger voor een fatale zweefduik behoed. Al is dat minder beschreven.

Om in tijden van ‘dis-orde’ orde op zaken te stellen zijn vaak grote mensen nodig. En dan nog blijft al hun doen het werk van o zo tijdelijke mensen. Teresa van Avila was zo’n tijdelijk en niettemin groot mens. Johannes Soreth  was dat ook. Hij was generaal overste in het midden van dat 15e eeuw. En behalve alle gevaren eigen aan het nu zo dubbele Karmel leven had in Frankrijk de honderdjarige oorlog gewoed en in heel Europa de zwarte dood. Lezend over waar hij mee te maken kreeg en al dat soms wel soms niet gelegaliseerde afwijkende leven en zelfs wangedrag, vraagje je af hoe hij ooit de moed vond om in een zo verwaarloosde kloostertuin aan het wieden te gaan. Hij deed het van Polen tot Engeland ,van de Nederlanden tot Italië. En zo werd hij misschien de grootste figuur van de orde in de middeleeuwen. Hij was van Franse afkomst (Caen) maar daar toen onder Engels bestuur. Intellectueel (biblicus) sportief en vooral met veel lef. Om wat hij wilde is hij ook nog ooit fysiek gemolesteerd.

Maar hij werd op vele plaatsen hopen door vele geestverwanten, dat ook.

Dit schilderij, de 9e afbeelding in onze reeks, stamt uit de Luikse school. Soreth verbleef er graag, stichtte er vrede en  redde er  naar verluid hosties bij de plundering door troepen van Karel de Stoute. De afbeelding  is een soort beknopte biografie, een echt ‘in memoriam’. Het gedenkt hem – hij is zalig verklaard – zijn persoon en zijn daden. Van linksboven kijken de koningin van de Karmel met haar zoontje en oervader-Elia toe. Rechts staat zijn wapenschild. Met zijn rechterhand houdt hij de constituties vast die hij opnieuw samenstelde. Zijn linkerhand wijst naar al die plekken waar hij de observantie terugbracht of bevorderde. Het onderste plaatje met een vrouwenfiguur bij een put kan ik anekdotisch  nog moeilijk duiden. Laat ik het voorlopig betrekken op de tweede orde, de  moniale karmelietessen.

Op meerdere plekken hadden zich vrome vrouwen onder de leiding gesteld van religieuze orden. Dat werd ook aangemoedigd. En zo was er ook op diverse plaatsen een aansluiting bij de karmelieten tot stand gekomen als die in de omgeving een klooster en kerk hadden. Soreth  bevorderde dat zeer. En in 1453 schreef hij een brief aan het hervormde klooster in Moers, waarin hij bevestigt dat de vrouwgemeenschappen, mogelijk begijnen, van ‘Ten Elsen’ in Geldern toegelaten kon worden tot de regel. Hij heeft ook zelf nadere regels geschreven en laten schrijven. Geldern was ook toen al niet het enige convent van onze mondiale, maar van daaruit werd wel school gemaakt. En Geldern lag in het Nederlandse cultuurgebied. Mag je dan zeggen dat de karmelietessen hier zijn begonnen met Soreth als grondlegger van haar leven?

Het samengaan van drukte en gebed, van gevouwen en handelende handen………. Het is na een eerste begin in de orde geschiedenis nooit een makkie geweest. Provincies die het zich kunnen permitteren hebben juist ook tegenwoordig vaak een eigen kluizenarij, een eremitage.  Maar  eigenlijk is ook het KCS, helemaal anders dat wel, een poging om naast de gebaande paden en tegelijk samen met anderen vernieuwende bezinning te oefenen. Op een wat meer academisch niveau, verbonden met universiteit doet het Titus Brandsma Instituut het zelfde.

Maar in onze reeks is er nu, na Soreth tijd voor karmelietessen.

 

Afbeelding 10

Maria Magdalena de’ Pazzi heette eigenlijk Caterina maar werd in de familie meestal Lucrezia genoemd naar haar grootmoeder van vaders kant. Het was een roem – en steenrijke bankiersfamilie. Werd het geen tijd voor een eigen naam? Die kreeg ze met 16 toen ze intrad in een van de Karmels van Florence.

Op haar portret als jong, rijk meisje heeft zij iets gedreven’ s, alsof  – zie  de gespannen armen en handen  – zij zo dadelijk ergens een begin mee zal maken. Waarmee? Diezelfde wilskrachtige gedrevenheid, maar dan niet in de armen en handen maar in de kaakpartij zie je vier eeuwen later terug op de meisjes foto’s van Theresia van Lisieux, ook zo’n onbegrijpelijk vroege  bloem.

Haar door ziekte geplaagde leven was relatief kort. Zij stierf in 1607, sinds anderhalve maand net 41 jaar oud. Eigenlijk was zij dus twee generaties jonger dan Teresa van Avila, maar Teresa was al sterk aanwezig in deze reeks (afb. 1 – 3) en komt nog terug. Teresa leidde bovendien, mondiale of niet, met al haar kloosterstichtingen een uitgesproken actief en in de wereld handelend bestaan. Maar hoe bereikt ‘verborgen heiligheid’ de aandacht van kerk en samenleving?

Maria Magdalena de ‘Pazzi is daarvan een voorbeeld. Het ging uiteraard allereerst per gerucht. En er zijn over haar vele verhalen verteld, het ene nog wonderbaarlijker – hysterisch menen anderen – en barokker in de zichtbaarheid van Gods genade – psychiatrisch menen anderen – dan het andere. Geruchten dus, zoals  die bij het doorvertellen groter, dikker  en opvallender worden. En altijd ongecontroleerd. Maar er is nog een tweede manier: het verslag van eigen ervaringen opgeschreven in een boek. Haar boek was “De 40 dagen “. Vooral uit de eerste 40 dagen van haar professie beschrijft zij vele ervaringen.

En zo gaat het eigenlijk altijd: geruchten en geschriften. Zonder het tweede is het eerste niet controleerbaar en zonder het eerste wordt het tweede  niet gelezen. Op het einde van haar leven zou zij, ook zij, de stigmata hebben ontvangen. Een niet medisch of psychisch deskundige denkt dan aan dat lyrische, geschonken, dus genadige ogenblik: zoals een moeder zichtbaar wordt in haar dochter zo vormt de liefde van de geliefde de liefhebbende om.

Op het schilderijen hiernaast, waarvan ik de maker niet ken, staat zij afgebeeld naar het gebruik van de barok. In een lijn van boven van de Vader God naar de Moeder van de Zoon waarnaast een gedienstig engeltje al een hemelse krans aanreikt. Maar dan komt er een knik, een scherpe hoek naar links. En dan blijkt er een nieuwe lijn te beginnen, die van Gods Zoon naar de heilige. De aandacht van de lezer van het schilderij wordt zo opnieuw gevestigd. Want even wordt het vanzelfsprekende verstoord.

Jezus reikt haar de communie, haar grote devotie. Terwijl zij op haar beurt aan Hem wordt aangereikt door een engel. Een medezuster kijkt toe en ook de heilige Angelus, ooit geboren in Jeruzalem en tweede generatie karmeliet die – zie de grote dolk door zijn hart- op de Sicilië voor geloof en rechtvaardigheid de marteldood stierf.

 

“Oorspronkelijke bron”

Afbeelding 11

Soms wordt iets duidelijk over mensen aan de hand van hun verschillen. Uit welke bron putte Juan de  la Cruz, een van 2 allereerste karmelieten van de Teresiaanse  hervorming? In een gedicht schreef hij zelf “Hoe goed ken ik de bron haar borrelen en stromen…”.

Maar hij maakt ook een opvallende tekening, die inspirerend werkte op een andere kunstenaar. De afbeeldingen hieronder zijn beide heel bekend en in onze orde is de rechter dat natuurlijk het meest. Juan de la Cruz tekende Christus aan het kruis met de pen, en naar men zegt, naar een visioen; de afbeelding wordt bewaard in Avila. Het schilderij op de linker afbeelding ontstond, zei Salvador Dali zelf, na een droom; het schilderij “de Christus van San Juan de la Cruz” hangt nu in Glasgow. De verbinding tussen beide werken is duidelijk. Zoek de verschillen…

Ook die dringen zich op. Aan alles wat samenhangt met de fabricage (tekening of schilderij) ga ik alvast maar voorbij. Maar ook daarna ligt er zoveel opdringerigs voor het oog. Juan tekende geen omgeving. Dalí wel. Zijn landschap schijnt –zoals wel vaker – door hem ontleend te zijn aan de omgeving van Port Lligat nabij zijn woon- en geboorteplaats, Figueras, net achter de Spaans Costa Brava. En het is daar dus vroeg in de morgen. Met schemerlicht dat opkomt in het oosten boven de Middellandse zee. Zie die onwezenlijke variant van het licht, die bijna een handelsmerk lijkt voor dit ‘anders- werkelijk realisme’ met magie en dreiging waarvan je verder niets ziet.

 

En hoog boven het licht als uit het zwart van het heelal verschijnt hangend aan een zwevend kruis, Christus. Lijden? Ja, natuurlijk maar meer nog ‘doem’. De ‘goede vrijdag’ samen met de aanvang van de jongste dag. Maar met ook iets van “Kijk nou eens..“. De eerbied voor het onderwerp kan het een mens verbieden, maar hij kan ook denken: ‘applaus!’. En dat maakt de voorstelling extra ambigue: doem, kunststukje en de man van smarten, dat allemaal samen. Dat schept de ontregelende verwarring in jezelf waarom het Dali misschien wel te doen was.

Op de tekening van Juan ontbreekt dat allemaal. Geen omgeving of achtergrond en de gekruisigde heeft hier niets van een getrainde atleet. Wat ze gemeen hebben is eigenlijk alleen het onderwerp zelf en daarvan dan het perspectief. Maar daar zit ook precies het belangrijkste verschil. Het standpunt van de toeschouwer ‘van bovenaf’ is bij Dali frontaal, wat het confronterend maakt.

Juan’ s tekening is ook ‘van bovenaf’ maar dan van ter zijde. Het geeft een overzicht, ten dele althans, want enkel zijdelings. Er is geen effect beoogd anders dan al wezenlijk in het bekende verhaal aanwezig. Laat staan dat er iets zou zijn van effectbejag. De toeschouwer mag toezien, zo lijkt het, naar wat beneden, op aarde?, gebeurt. Tekenaar en kijker zijn nog niet echt hemelhoog, maar hemelwaarts zijn we wel. Als in een zijloge naast het wereldtoneel, van waar we mogen meekijken naar hoe het verder ging, toen het eeuwige woord vlees werd en woonde onder ons. En hoe het daarna – zo rond belicht in een spotlight en los gekeken van tijd en plaats – een verhaal werd voor altijd en overal.

 

Afbeelding 12

Francisco de Zurbarán was de schilder van het wit: Hieronder zijn portret van Juan de la Cruz. Misschien wel het belangrijkste van alle afbeeldingen van deze  bekendste karmeliet van de Teresiaanse hervorming.

De schilder heeft zijn huiswerk gemaakt. De bredere haarband duidt op onze eigen variant van de tonsuur en de kraag van de kap is “Ongeschoeid “ smal. Het portret is niet ten voeten uit. En licht, clair-obscur, valt van links over het schilderij. De scène is gezet en de attributen voor dit tafereel zijn aanwezig: een kruis in de rechterhand en een doodskop in de linker. Juan de la Cruz is immers een heilig en dus vast ook uitermate verstorven. Het kruis is zijn naamkaartje en de ascese van het doodshoofd was toen een vast onderdeel in de verbeelding van de heiligheid. Zurbarán stierf in 1664.

En toch doodshoofd noch kruis lijken er bij te horen. Alle licht en aandacht legt Zurbarán meer naar het midden en vooral een stukje hoger op het wit van de mantel en op rechter wang en oor. Het hoofd is net niet helemaal en face, een ietsje al richting ‘driekwart’. En dat hoofd kijkt niet naar kruis of doodshoofd… En ook niet naar ons. Het kijkt naar binnen. En het is daar dat, als je zelf blijft kijken, de ontroering begint. Want, vreemd toch dat de voorwerpen die hij vasthoudt er niet echt te doen. En er is ook verder niemand naast, boven of voor hem die er toe doet. Ook niet vanbinnen? Vanbinnen wel ja. Wat zie je Juan?

Wat zag je  sinds je als het ware op een donkere nacht het huis van je dagelijksheid en méér verlaten had.

Wie was hij zelf?  Hier is hij een jongeman, geen mooie jongen, niet lelijk ook; iets hoekigs wel, met iets van wilskracht, maar ook iets weerloos. En als je de detail- afbeelding, hieronder, van hoofd en schouder bekijkt, dan bewijzen de weggevallen schouders dat dit even geen stoere jongen is, hoewel geen wekeling, dat verbiedt het hoofd. Gevoelig? Dat wel, en eventjes in alle menselijkheid één en al oor. Overgave dus. Aan wat, aan wie?

 

“Van wie houd ik eigenlijk als ik zeg dat ik van God houd? “Augustinus stelde die vraag en wij moeten hem daar dankbaar voor zijn. Hij antwoordde trouwens zelf meteen dat de Ongeziene toch ook iets voorstelbaars moest zijn: een geur, een stem, een licht, een omhelzing ook. Maar dan innerlijk, dat dus weer wel.

‘En wat moet je je daar dan bij voorstellen? ‘ vraagt de argeloze lezer van de “Belijdenissen“. Wat is dat ’een innerlijke omhelzing’ en nog meer: ‘hoe zie je dat’, ’hoe laat je dat zien’? Misschien heeft Zurbarán precies daar hier iets mee willen doen.

De mens (m/v) als geliefde van God. Want het gaat hier om meer dan gelovige, aanhanger, of zelfs toegenegen vriend. De mens die terugkeert naar zijn oorspronkelijke bron. Kind? Ja, dat zou misschien in alle zo terechte aarzeling van woorden passen. En het wit van de mantel als bruidskleed, als doopkleed liever? Zo lijkt het toch. De mantel heeft hier geen sluiting vóór en moet dus over het hoofd worden aangetrokken. Het geeft de schilder meer ruimte voor zijn voorkeur voor wit en het geeft ons te denken dat deze mantel is als het kleed voor dit ogenblik. Welk ogenblik, wanneer, en wat dan?

 

Juan geeft daar, denk ik, zelf antwoord op. Het staat in zijn gedichten tussen

“Toen, op een donkere nacht,

onrustig en in liefde’ s overmacht 

-oh, en ik had geluk –

verliet ik onopgemerkt mijn huis 

omdat het helemaal in ruste lag “.(Uit:’op een donkere nacht’, eerste strofe)

 

en

“En niemand nog die ‘t  zag ….

en zelfs, Aminadab, de duivel, haakte af;

‘t  beleg werd opgeheven

En de ruiterbendes ooit een plaag

daalden bij het zien van ‘t water naar omlaag“ (Uit: ‘geestelijk gezang’, laatste strofe)

Leest u maar. Misschien meer dan ooit staat daar wat er niet staat en ook weer wel. En wat daar toen gebeurde  – b.v. deze twee gedichten lang – ik verbeeld me dat Zurbarán  zich dat hier over deze oorspronkelijke mens verbeeldde.

 

Zelf dacht Juan dat de tocht naar binnen ook verbeeld was als een opgang langs het pad van een innerlijke Karmelberg. Zie deze tekening. Hij schreef er boeken over, pastoraal, ter  lering en navolging. Maar ook dus versleuteld in een paar gedichten. En om het geheim ervan zijn die toch het mooist.

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding  13

Is een plek van verering een centrum van spiritualiteit?

Van de binnenstad van Segovia naar het graf van Juan de la Cruz is het nog een hele tocht. Je kunt gewoon langs de weg afdalen samen met de auto’s, maar je kunt als voetganger ook de trappen omlaag nemen en dat is korter. Nog een heel eind trouwens, want de rots van Segovia is best hoog en ons klooster ligt echt wel een beetje ‘buiten’ en helemaal beneden. Langs de helling is veel vegetatie en er zijn ook bronnen. “Hoe goed ken ik de bron, haar borrelen  en stromen ook midden in de nacht…”. En hoe ging het ook weer verder, precies? Even niet teveel over denken nu, want in dit droge land zijn voor één keer de stenen aardig glibberig  ook midden overdag.

Eenmaal beneden en over de rivier gaat in de volle zon de gewone weg weer verder met zoals beloofd inderdaad een fraai uitzicht op Dom en Alcazar boven. En dan nog een bocht en een kruising met een raar stoplicht en dan weer zo’n 100 meter verder kerk en klooster van het Centro San Juan de la Cruz.

Het kerkplein, leeg en heet, is weer voornamelijk trappen, nu omhoog. Het is namiddag, tegen het einde van de siësta. De linker zijwand van de kerk, type basilica uit de barok, heeft halverwege links een haakse aanbouw, de grafkapel. Hier zijn we niet meer alleen. Een paar mensen zitten en knielen. Ter zijde staat een kaarsenbak naast een tweede doorgang en dan een praalgraf waar je omheen kunt wandelen. Dat doen we en dan zie je tegen de wanden links, rechts en achter beelden namen uit de karmel-geschiedenis. Links vooraan staat Elia en rechts vooraan Albertus van Avogrado (regelgever en Latijns patriarch van Jeruzalem). Ik denk niet dat de rij van heiligen en zaligen uitputtend is. Met name meer recent zal er wel iets ontbreken, maar het zijn er wel heel wat. Bekende namen vaak, sommige hier al opgevoerd bij een andere afbeelding,. Ik doe een greep uit wat ik me herinner: Teresa, Simon Stock, Petrus Thomas, Angelus (zie resp.de afbeeldingen 1-3,6,8 en 10)

Terug in de kerk staan we voor de brede absis, het priesterkoor dus, met in de achterwand op grote vlakken iets dat we interpreteren als een semi abstracte verbeelding van de vier elementen. Hé, wat bijzonder! Maar de kleuren treffen je als teveel pastel. Binnen haar barokke vorm is het overigens best een sobere kerk, smaakvol hernomen. In de ruimte van het priesterkoor, staat een eenvoudige katheder met een afbeelding van Juan (zie hiernaast)

Een herkenbare gestalte maar een die tegelijk lijkt op te gaan in het licht, of daar juist vandaan komt.

De meeste afbeeldingen van Juan kiezen, ongetwijfeld ter herkenning, voor een obligate aanpak. Dat is dus ‘Man met boek en pen’, de blik geheven ter inspiratie; hij is tenslotte kerkleraar. Of ze tonen hem al schouwend naar het kruis; dit vanwege zijn toenaam. Francesco de Zurbarán  maakte er intussen iets prachtigs van. Maar zonder zo’n  groot talent ontroert dat allemaal niet en dient het hoogstens de herkenbaarheid. Wat zijn uiterlijk betreft is behalve de tonsuur ook het bescheiden plukje haar op het voorhoofd een tamelijke constante. Dat geldt ook voor de omvang van het (kleine) hoofd. En hij was natuurlijk helemaal Teresa’s “mijn kleine Seneca”.

Ook op deze schildering is het hoofd klein. Maar dan… heeft de schilder zich in die langere gestalte El Greco herinnerd? Een beetje toch? Het smalle en wat gerekte van deze figuur doet iets. Het roept iets van een ijltje op, suggereert belofte van aanwezigheid, van verwachting aan woorden en zelfs aan beelden voorbij.

 

Op het KCS in Haarlem hangt een tekening in zwart-wit  waarop aan het einde van een gang een man gebaart ter aanmoediging en uitnodiging. Weer een andere verbeelding van Juan, maar wel een uit dezelfde (verre) familie.

Mystieke verbeelding dient ‘hoog’ te gaan en te pogen iets weer te geven van wat geen oog gehoord en geen oog gezien heeft. Dat kan nooit meer dan aanduidend zijn, bij wijze van…

Maar dan nog, wat moet je in die ijlte nog met beelden, dat zijn lijnen en kleuren. En wat met woorden, klanken dus? Woorden, zo lijkt het, voor ‘aan woorden voorbij..’ Nou ja, Juan is juist de patroon van de dichters. Een paar stille mensen, nu in de kerkbanken, lijken zich dat mogelijk bewust en wij gaan ook zitten.

Toch gek eigenlijk die duidelijke voorkeur in onze dagen en streken voor het meer abstracte. Zijn we banger dat het  herkenbare, concrete niet zuiver genoeg is?

Juan zelf raakte aan alles voorbij niet door iets weg te laten maar door een zinnebeeldige fysieke beschrijving. En lezend in zijn gedichten zie je dan ook onmiddellijk je eigen voorstellingen. Bij de eerste strofe van “In een donkere nacht” over die ‘poëtische ik’, die ‘s nachts haar huis in rust ontvlucht, zie ik zelf op een of andere manier al jaren meteen de zijmuur van een boerderij uit noordelijk Noord-Brabant met een heg en een boomgaard, een karrenspoor onder de sterren en wolken met een beetje maan. En je bent bang dat de ‘ik’ zal struikelen. Zo’n voorstelling is natuurlijk samengesteld uit tal van beelden in je geheugen. Heel spontaan allemaal; niks bedacht. Maar hoe komt het dan dat wij ons nu comfortabeler lijken te voelen bij zoveel abstractere aanduidingen als b.v. het “ongeschapen licht’’, waar je je alleen maar een raadsel bij kunt voorstellen. En hoe stel je je een raadsel voor? Als een doolhof? Toch weer met een omweg concreet! Zijn wij door schade, schande en overdaad beeld-wantrouwig geworden, houden we  meer van lege beelden of ladders naar ‘ik weet niet wat’…..? En dat laatste zijn weer eigen woorden van Juan.

Ondertussen is het wel zo dat in andere tijden zelfs het meest geestelijke zo maar in concrete beelden werd neergezet  en b.v. spirituele gedrevenheid in tongen van vuur op voorhoofden kon staan. Daar wordt de waarheid concreet; zo hoort het toch? Wat zou  de menswording anders zijn.

 

“Het eigen gezicht”

Afbeelding 14

De oudste afbeelding van Teresa is bij leven geschilderd door haar orde-broeder Juan de la Miseria. Juan  was  niet en nooit gerenommeerd. Een oprecht amateur misschien. Maar verder…

Ook Teresa zelf was naar verluid niet zo onder de indruk, ook niet van weergave  van haar uiterlijk.

Uit mijn geheugen  citeer ik  de overlevering: “Waarachtig broeder Juan, je hebt me er laten uitzien als een aap

Hiernaast ziet u de gereconstrueerde oorspronkelijke afbeelding door Juan. Deze afbeelding is eenvoudig met

slechts een tijdsaanduiding. 61 jaar was ze toen en het was het jaar 1576 ..

 

En hieronder het zelfde portret zoals het tot nu bewaard is in het klooster van Sevilla. Al schijnt “Alba de Tormes’ ook nog zo’n  exemplaar te hebben.

 

 

 

 

Deze tweede versie is van na Teresa’s dood, en van ‘toen de verering  aan de macht kwam’. Het toont haar status sindsdien. De Geest als duif, tekstband, gevouwen handen. Maar misschien dat wij in vergelijking toch aan het oorspronkelijke portret de voorkeur geven.

Met Heiligen en hun beelden weten we  vaak geen raad: zo onaangepast ver boven ons. En dus verheffen we ze ook zichtbaar hoog op een console. Heel zichtbaar uit het zicht.

Maar Teresa was vast ‘best wat ijdel’, toch? Nou en?

Zoals ze behalve gevat ook wel koket kon zijn. Bij voorbeeld die keer toen zij een compliment kreeg over haar fraaie voetjes en ze tegen de bezoekende charmeur zei dat dit misschien de laatste kans was om ze te zie, want dat ze een hervorming ging beginnen.

Helpt ons dat, zoiets te bedenken naar aanleiding van een portret naar model geschilderd door een oprechte amateur? Vast wel een beetje. Het haalt haar dichterbij, menselijker en maakt haar juist zó misschien wel groter; geeft meer uitnodiging ter navolging. Het is ook geen nivellerende trend van de 20e eeuw om zoiets te bedenken. Heel vroeger al is het wel eens zo gezegd: ‘het helpt bij de bestijging van de berg Karmel, tegen de ademnood’. Zij  was ook maar een mens en zij kon het ook.  Proberen we een nog Teresiaansere variant: ‘het helpt tegen de pijn  als je weer eens gestruikeld bent op tocht door de innerlijke burcht’. Nou ja, voor wat het waard is dit laatste, want u kent zelf vast een mooiere.

 

Afbeelding 15

Naar de tijd genomen zou het kunnen, dat Velázquez  het portret dat Juan de la miseria van Teresa maakte, gekend heeft. Het portret dateert van 1576 en Velázquez was toe nog niet geboren. In de tussentijd was Teresa  stormachtig snel een zeer belangrijke gezicht geworden van het r.k. christendom en dat in Spanje in het bijzonder.Maar aan Velázquez eigen schildering hieronder is dat niet te merken.

 

Zo anders, zo jong ook en …zo hemels. Alle attributen van de mystieke lerares zijn  aanwezig: het boek waarop  haar hand rust, de pen in de andere, en de  Geest  als een duif vlak bij haar verwachtende oog en luisterend oor.

Maar toen Teresa  haar geïnspireerde boeken schreef over de weg  naar het volmaakte, over haar stichtingen, over ‘de innerlijke burcht’  en.. heel die  adembenemende  activiteit van toch een beschouwend leven, toen  was ze jaren ouder dan hier op dit portret.

 

Dit is maar een herinnering aan Teresa, zegt het portret. Hier was  ze maar nu is ze aan het hemelse hof waar geen worm ons leven nog verteert en dus nu met ook een lichaam van voor het verval.

Want zo is het toch met dat verblijf na het zevende van de innerlijke maar aardse burcht…dat er daar geen einde is en geen begin, geen toekomst, geen verleden alleen een wonderlijk heden; ook  niet meer  gespleten dan, want de tocht is  ten einde. Heel die wereld van verschil met deze ‘slechte herberg’ hier, waar wel  begin is en einde en waar  mensen  dus ook het gelag moeten betalen. ‘Slechte herberg’, die uitdrukking  is van Teresa zelf en ik werd er aan herinnerd toen iemand het weer zo noemde in een briefje waarin ze mij de dood van haar medezuster meldde. Een slechte herberg met een  bleke, magere kastelein, die als  mannetje van de inquisitie over je schouder meekijkt in het boek van je leven en naar je schrijvende hand. Het kan nog erger natuurlijk, veel erger, want ook een slechte herberg, is nog een herberg en niet het open veld. Maar op dit portret is hiervan helemaal niets meer te vinden, geen spoor….. Je ziet Teresa, in een aan den lijve vergeestelijkt heden. Prachtig gedaan. De stilering van haar rechterhand b.v.: even aandachtig  als haar hoofd, wachtend op het eigenlijke, heel precieze moment van bijna nú  als van al zo hoge  het verlossende woord  komt en de lampen in de herberg aangaan en het vuur hoger gaat in de haard. Immers, in die herberg zit Teresa toch te schrijven? Zàt te schrijven, want dit is niet haar visioen maar dat van de schilder en die had dit keer voor die herberg hier beneden geen oog.

 

Diego Velázquez  (1599- 1660) schilderde  ‘Santa Teresa de Jesus´ en dat portret is in particulier bezit, mogelijk´Marquess Casa Riera’ in Madrid.

 

Afbeelding 16

De afbeelding hieronder is die van een schilderij van Francesco de Zubarán ( 1598-1664). Het hangt in de kathedraal van Sevilla.

Een kolossaal schilderij – een reusachtige kerk weten we-  en ‘Spaanse barok’. Maar in de veruitwendiging van al dat innerlijke bracht Zubarán niet een gedurfd concept als dat van Bernini ( afb. 1)of, op een heel andere manier, van Rubens ( afb. 2 of zelfs dat van de gedroomde Teresa van Velasquez (afb. 15). Hij tekende ook figuurlijk keurig binnen de lijntjes. Teresa is hier de kerklerares, die ze officieel nog moest worden en zoals ze hier reeds ten voorbeeld werd gesteld.

Alle ingrediënten zijn er: de tafel met het vanitas symbool, de hand met het schrijfgerei, de hemelse inspiratie als een duif.

En toch is het meer, veel meer dan het zoveelste exemplaar van het zelfde.

Zubarán was ook de schilder van stoffen, witte stoffen vooral. En hier loopt over het schilderij van links boven naar rechts beneden een kader van wit.  En in dat wit gebeurt eigenlijk alles. Van linksboven komt uit het goud de witte  duif en brengt haar boodschap naar de witte hand met de pen, die op het onbeschreven blanco blad woorden zal vormen van wijsheid en  godsvrucht.

Dan maakt Zubarán dankbaar gebruik van de karmelietaanse witte mantel, zoals hij dat wel vaker deed met het wit van de kartuizer pij. Want via de  mantel van Teresa wordt het kader van wit doorgetrokken naar het doek/laken  in de werkmand rechtsonder op de vloer. Van hemel naar aarde, van vroom visioen naar het dagelijks bestaan. Het wit vertrekt vanuit het goud, schittert zelf nog ietsje met een schaduw van goud in boek en mantel en eindigt tenslotte in een blekere soort van zichzelf in  de werkmand. Het geheim zit in het wit, dat niet alleen belooft te tonen wat er nog niet staat, maar ook laat wat er daarna te doen staat.

 

Ik zei net dat Zurbarán  zo netjes  tussen de lijntjes kleurde. Maar in een ander opzicht is dat juist helemaal niet waar en is zijn schilderij eerder rebels. Het  concilie van Trente wilde in de   portretten van  vrouwelijke  heiligen jeugdigheid. “Zijn, dat is waargenomen worden” Voor de concilievaders was dat een vertrouwde gedachte .Ook ‘Heiligheid’ is dus zichtbaar. En in de kunst moest het worden getoond: de over-duidelijkheid  van de barok. Hoe? Wel daar kwamen voorschriften voor. In Spanje, het braafste jongetje van de concilieklas, omschreef Francesco Pacheco in een boek over schilderkunst ook deze voorschriften. Pacheco was daarbij de leermeester en later de schoonvader van Velázquez. Voor wat betreft de vrouwelijke heiligen schrijft hij in navolging van Trente voor dat als kenmerk van heiligheid en heldhaftige deugd, de maagdelijkheid dient te worden benadrukt. En het best gebeurt dat dan door de afbeelding veel jeugd mee te geven.

Terugkijkend is het niet moeilijk om de patriarchale vooroordelen van een toch andere tijd te ontdekken. Waarom immers juist de kuisheid juist van vrouwen? En ook die preoccupatie met de voortplanting. Waarom anders per se zo jong? In deze leerstellige samenhang staan ook dit beeldje van Pedro de Mena. Het beeldje  stamt uit het Spanje van de 17e eeuw. En terugkijkend langs en achter haar onschuldige gratie blijven we tegelijk moeiteloos de kerklerares herkennen. Want dat moest ook. Je begrijpt daarmee iets meer van de ogen en de handen die de beeldjes maakten en van hun tijd.  Hulde en bewondering, nu des te meer voor het andere concept van Zurbarán.

Maar daarachter en daarna komt tegelijk de wat ongemakkelijke verplichting op je toe om iets te doen met de vraag: “en wij dan; hoe zit dat met ons, nu?”

Weet u, deze voorschriften voor de weergave werden aantoon- en herkenbaar neergeschreven en min of meer dwingend gepropageerd met als laatste autoriteit het concilie van Trente. “Opgelegd” knikken we. Maar welke voorschriften over Teresa gelden er nu en wie of wat dringt hen aan ons op? Als het nog precies dezelfde zijn, dan leeft Teresa eigenlijk niet, want leven is worden.

Ze zullen er best zijn die nieuwe voorschriften voor nu, toch? Maar het is allemaal vager, zo lijkt het, en er wordt minder dwang ervaren, toch? Of zijn het nog gewoon de oude? En de ware Teresa dan, wil die opstaan? Ze zou vast lachen om deze vraag. Wijsheid, weet je wel, bevalligheid ook maar dan gerijpt.

 

Afbeelding 17

Als je op zoek naar afbeeldingen van Teresa, ook eens door het internet bladert. Ontdek je dat ook voor haar de zoekactie ‘afbeeldingen’ veel ongelijksoortigs oplevert.  “Teresa” is met varianten een heel populaire meisjesnaam en nog al wat actrices, danseressen en zangeressen  staan met hun foto’s tussen de  beelden en schilderijen van La Madre zelf. Toen ik dus deze afbeelding zag, verwachtte ik niet anders dan iemand in een toneelstuk. Maar wel over Teresa, lijkt het; wat zou dat zijn?.

Vlak erna stond op het grote blad met afbeeldingen  er nog een..

Hé, nog een keer. Een affiche misschien? Iets  over de  carmelietessen van Compiègne dan toch,  die opera van Honneger?  Toch eens kijken.. En wat bleek: het was en is een schilderij van François Gerard, voorstellende niemand anders dan Teresa van Jezus. Die van Avilla dus. François Gerard was een leerling van David en een navolger van diens classicisme. Hij maakte heel veel portretten ook. Maar in dit schilderij uit 1819 is het classicisme al weer voorbij. Het kwam te hangen in de ‘Infirmerie Saint Therèse’ een  toen nieuwe  instelling – een initiatief van de vrouw van Chateaubriand –  dat een toevlucht wilde zijn voor zowel adellijke dames als priesters die een moeilijke periode doormaakten. De naamgeving had alles te maken met ‘Marie Therèse ‘de vrouw van de latere Charles X.  En haar patroonheilige kreeg daarom een plaats in de kapel.

Voor de kunsthistorie is het werk een even groot ijkpunt van de Franse romantiek als het vroege werk van Delacroix, waarmee het na voltooiing samen eerst op een tentoonstelling hing.

Het toont Teresa in vurige devotie geknield naast en tegen de voet van een zuil op een vloer van grote  steenplaten tegen een  vage achtergrond die een kerk doet vermoeden. Een knappe, slanke vrouw in een fraaie pose gedrapeerd op de aandacht’ s diagonaal van links boven naar rechts beneden. De donkere achtergrond  doet de  lichte kleuren van voet,  hoofd,  handen en mantel  sterker uitkomen. Het sterkst misschien op hoofd, schouders en de witte band van de sluier op haar voorhoofd, want daarop valt van links het meeste licht. En midden tussen dat lichte en wit staan dan,  geaccentueerd weer door hun eigen wit,  haar grote, donkere ogen. Die  trekken de aandacht ..

Het schilderij verbergt de pose, het toneelmatige niet. Het model is een ‘Teresa’ die niemand zou hebben herkend. De bevallige drapering van het lijf met de elegante voet nog net zichtbaar –  toch een speelse herinnering aan die anekdote uit haar leven? – en de handen al even fraai gevouwen….

Maar wat blijvend opvalt zijn de ogen die onze richting op kijken, maar ons niet zien, niet u op rij 4 of mij op rij 7 en niemand in de zaal . Onscherp?, nee, dat niet, eerder aan ons voorbij, aan ieder en alles van ons voorbij. De nieuwe romanticus Gerard doet zijn eigen poging om het onzienlijke te laten zien. Zijn oplossing: hij laat zijn model ‘het zien’ verbeelden. En wij ? Wij weten van die  uitbeelding en daarom keren we ons ook niet  om  mee te zien . Maar we  blijven wel naar haar kijken, want zij verbeeldt dat er een droom waar wordt van ons allemaal.

 

“Later  en tot in onze tijd”

Afbeelding 18.

Een belangrijk vertegenwoordiger van de Karmelietaanse spiritualiteit waarvan wij geen afbeeldingen hebben getekend naar  artistieke heiligheid ,  dat is eens iets anders. Het moet wel een bescheiden mens geweest zijn, deze  broeder Laurentius. Maar er is ook geen erkende verklaring van heiligheid over hem en zelfs geen proces daartoe. Maar Laurentius was vast wel bescheiden, dat ook. Op 26-jarige leeftijd trad hij in in ons klooster in Parijs. Toch liever een  semi-eremiet dan eremiet , had hij ontdekt. En is er sindsdien tot zijn dood gebleven.

Hij werd geboren als Nicolaas Herman. Rond 1614 was dat in Lotharingen. En hij was 18 toen hij de kale winter boom zag en de overgang begreep van dit naar de jonge weelde van de lente. Hij heeft het zich zijn hele leven herinnerd. En daarbij het gevoel van onthechting en van  daarnaast van  liefde tot God als persoonlijk wezen, begrijpend en liefdevol. Hij vertelde er later veel over.

Maar toen was alweer jong  soldaat geweest, aan de dood ontsnapt en tenslotte licht  invalide geraakt in Lotharingen, dat hij met de honger en de pest van de dertigjarige oorlog tenslotte ontvluchtte. Hij werd kok in ons grote klooster, later schoenmaker, portier, bedelmonnik. Dat wij nog van hem weten is omdat hij brieven schreef en veel bezoek ontving dat uit hun gesprekken optekende. In druk werden  dat  de “Spirituele stelregels “ en “Zeden en gesprekken van broeder Laurentius “  Hij moet een bijzondere man geweest zijn en heel van nature een pastor zouden we zeggen. Een open man en iemand aan wie je zomaar alles wilde vertellen, zeiden ze toen al. Hoog bezoek soms; aartsbisschop Fenelon bijvoorbeeld. Zijn boodschap aan hen was die van het geluk en vreugde van de goddelijke Aanwezigheid die als een vriend, een gedurig zorgende gezel om je heen is en die je om je heen kunt weten alle dagen van je leven. Want : “Hij heeft ons weliswaar niet nodig in noodzaak maar ons wel Voor Hem gemaakt”. In de Karmel spiritualiteit wordt zijn plek wel geduid als een navolging van Juan de la Cruz en het belang van Geloof, Hoop, en Liefde, deze drie. Maar misschien staat hij toch nog dichterbij Teresa en gebedsvormen die zij beschrijft. En, denk ik vooral en nog meer dankzij  al de dagelijksheid in ook hun leven. 15 jaar was hij kok. En God was om hem heen! Het prentje hierboven herinnert eraan. Van Teresa is een schilderij bekend, gemaakt door Francisco Rizi, de barokke hofschilder van Philips de 4e; en  hier een beetje de Spaanse Jan Steen.  Maar zo zal het wel niet bedoeld zijn. Gewoon een vroom fragment uit een heiligen leven. Het schilderij is gemaakt ergens  tussen 1670 en 1680 en het hangt nu – zo meldt het internet – in het  klooster van San José in Avila.

Op één knie zit Teresa voor de haard met in haar hand een pan met een heel lange steel, zo een waarmee bakkers brood in de oven schuiven. Een kruik (wijn/water?) staan op de tafel rechts. Op die tafel ook een doodshoofd (gedenk te sterven) en een doek. Voor de tafel o.a. een mand met groenten. Vóór Teresa staat een mand met aardappelen en een schaaltje met ander etenswaar. En in de pan ligt dus dat staafje aardappel, dat ze gaat bakken. Want die  nieuwe vrucht had van haar broers uit de America’s gekregen Dat alles is de horizontale beweging: in haar handen naar links, naar de brandende haard toe. Achter haar is bij uitvergroting nog iets te zien van borden op een wandrek. Verticaal is het allemaal anders. De houding van haar hoofd ietwat schuin naar rechts, benadrukt  nog de beweging in handen en steel naar links, maar dat hoofd baadt tegelijkertijd in ongetwijfeld hemels licht. Teresa, hier onaards jong, is met naar boven gerichte ogen duidelijk niet meer bezig met bakken maar met bidden. Of is het dat wat wij multitasking noemen? Vrouwen zijn daar beter in. Toen vast ook al. En zeker zij. Maar broeder Laurentius kon het ook al roerend in zijn pannen! .De goddelijke aanwezigheid om hem heen alle uren alle dagen tot de dood hen in 1691 voorgoed samenbracht.

In  Frankrijk was  Laurentius snel vergeten. Daarbuiten bleef hij tot in onze dagen een invloedrijk man. Oecumenisch niet in het minst. Zo in het Duits protestantisme, de mystieke  variant die wel piëtisme heet. Maar  misschien is het door John Wesley en het methodisme  in de Angelsaksische wereld, vooral ook de V.S. dat  zijn  invloed tot in onze tijd duurt.

 

Afbeelding 19.

Zou ze ook verwend geweest zijn, de kleine Thérèse Martin? Ze had in ieder geval wel een willetje. Het dunne streepje van haar mond, de ferme  onderkaak. En op deze foto van vlak voor haar intrede heeft t ze haar haar opgestoken om ouder te lijken. De bisschop vond het allemaal onvoldoende: “Wacht maar met intreden tot je 16e “. Leo  XIII zag het anders: “als het Gods wil is… “ zou hij gezegd hebben. En aldus geschiedde. Maar zou ze verwend geweest zijn? Humor had ze ook, zwarte zelfs. En ja ze is vast verwend geweest. De jongste zus die pas vier jaar was toen haar moeder stierf. Een oudere zus, Pauline, werd haar tweede moeder. Maar die trad in de Karmel. Een eerste zus was al. Na Therèse zou nog een vierde zus   de gang naar het klooster volgen. Een intens vroom gezin. Hun beide ouders zijn nog door de huidige paus heilig verklaard. Hoeveel overdracht aan ideeën en idealen  ging er in dat gezin niet rond?

Toen zus Pauline intrad werd Thérèse ernstig ziek. Maar ze kreeg er haar tweede moeder niet mee terug. Dan zelf ook maar naar Lisieux…. Er ging vast een zee van dromen in haar rond.

In 1890 deed zij haar geloften. En drie jaar later was zij al belast met de zorg voor de novicen. Ze stierf in 1897 aan tuberculose ,24 jaar oud. Na haar dood zei een medezuster dat er eigenlijk niets bijzonders over het te vertellen was. Maar zus Pauline, op dat moment  priorin, had haar in 1895 gevraagd om haar verhaal op te schrijven. Dat boek werd bekend als “geschiedenis van een ziel “en haar leven ging daarna in wel  40 talen rond.

De “kleine“ heilige Theresia wordt ze wel genoemd ter onderscheiding van de “grote “ heilige Theresia, Teresa van Avila dus. Dat “klein “ verdient een toelichting. Want het gaat hier zeker niet om een status. Net als Teresa van Avila en Catharina van Siena is zij kerkleraar. Een van de drie vrouwelijke, een select gezelschap. En de populariteit van haar verering overtrof die van zowat ieder ander. Het “kleine” zit hem in haar boodschap.

De paar laatste jaren als moniale hebben haar wel veranderd.

Op deze  tweede foto is te zien hoe het zelfverzekerde van het meisje dat altijd haar zin kreeg steeds meer plaats lijkt te maken voor een twijfelend mens en een besef van beperktheid. De grote dromen die zij droomde; zij had ze allemaal willen zijn: missionaris in alle werelddelen, martelaar en door alles heen een grote heilige vast ook met opvallende visioenen en die bij de vleet. Maar alle wereldwijd verlangen was in deze jaren geen stap dichterbij  een werkelijkheid gekomen. “Ik wil martelaar zijn maar ik sterf gewoon mijn bed “, zei ze niet lang voor haar dood. Haar humor was zwarter en vooral relativerende geworden.

Ze schreef ook : “Maar als ik mezelf met de grote heiligen vergeleek, zag ik een even groot verschil als tussen een berg met zijn top in de wolken en een zandkorreltje dat onder de voeten van de voorbijgangers verborgen gaat. Maar dat ontmoedigde me niet. Ik dacht: ‘Hoe klein ik ook ben, God heeft me die grote verlangens ingegeven. Groter worden blijkt niet te lukken. Ik moet me dus nemen, zoals ik ben, mét al mijn tekortkomingen en onvolmaaktheden, en zó heilig worden. Er moet dus een kleine weg naar de hemel te vinden zijn. Recht toe, recht aan, en helemaal nieuw.’
Je hebt tegenwoordig in de huizen van rijke mensen een lift in plaats van een trap. Zo wil ik de lift naar God vinden. Ik ben te klein om de lastige trap naar de volmaaktheid te kunnen beklimmen. Dus ben ik in de Heilige Schrift op zoek gegaan en vond in het boek Spreuken (09,04): ‘Wie nergens van weet, kan het beste hierheen komen.’ Dat heb ik gedaan. En ik was benieuwd, wat God met zo’n klein iemand zou doen. Ik zocht verder en vond bij Jesaja (66,13): ‘Zoals een moeder haar kind op de arm neemt en troost, zo zal Ik u troosten”.

Dat was haar kleine weg en naast die weg waren er de geloof’ s twijfels, vele en grote. Dat geloof niet de verdienste is maar genade heeft ook zij geleerd en dat zij, ook zij,volkomen aangewezen was op Gods liefde, die alles in allen is en die zij aan moest hangen. Mede vandaar haar gevleugeld woord: “ mijn roeping is de liefde“.

Haar immense populariteit in de eerste helft van de 20e eeuw heeft in terugblik alles te maken met de restauratie van het roomse katholiek instituut, de bloei van het rijke roomse leven. De kerk die zich terugtrok op een eigen terrein had een pad naar heiligheid nodig dat ook begaanbaar  leek voor Elckerlyc. Het is misschien tekenend dat onder de afbeeldingen die van haar de ronde doen grote artistieke verbeeldingen van heiligheid lijken te ontbreken. Wat te vinden is, hoort allemaal in het genre van de afbeelding hiernaast. Het kruis heeft een corpus, eigenlijk heel on-karmelietaans, maar wel herkenbaarder voor iedereen. En dan zijn er de rozen, de weldaden die zij zal strooien na haar dood. En die vormen weer een uitnodiging tot verering. Titus Brandsma zei het over haar gelukkig veel wezenlijker: “Veelal verwacht men van een heilige iets bijzonders, iets dat van het gewone afwijkt, iets dat men de poëzie van een heiligenleven zou kunnen noemen. En nu ziet men het zo prozaïsch gewoon, dat men er uiterlijk de heilige niet in ziet. Maar dat is juist de ware heiligheid“.

Over hem nader bij een volgende afbeelding.

 

afbeelding 20

“Alledaags mysticus” toch wel opvallend gezegd  over de man die  Theresia  van Lisieux  zo treffend typeerde  met “Veelal verwacht men van een heilige iets bijzonders, iets dat van het gewone afwijkt, iets dat men de poëzie van een heiligenleven zou kunnen noemen. En nu ziet men het zo prozaïsch gewoon, dat men er uiterlijk de heilige niet in ziet. Maar dat is juist de ware heiligheid“. “Veelal verwacht men van een heilige iets bijzonders, iets dat van het gewone afwijkt, iets dat men de poëzie van een heiligenleven zou kunnen noemen. En nu ziet men het zo prozaïsch gewoon, dat men er uiterlijk de heilige niet in ziet. Maar dat is juist de ware heiligheid. Maar zijn  voormalige  kampgenoten in  Dachau hem beschreven hem  inderdaad als een ‘alledaagse’ mysticus.

Hij was  Anno Sjoerd Brandsma , die sinds 1884  Titus heette in het karmelklooster .  Allereerst  een niet atypisch leven van een talentvol man in die tijd: stammend uit een R.K.  Fries geslacht,  kloosterinternaat , priester-opleiding, studie in Rome (filosofie). Dan klaar om zelf les te gaan geven aan het eigen filosificum van de orde-provincie.  En meteen al was er daarnaast  zijn maatschappelijke activiteit binnen de r.k. zuil. Neven- bezigheden als journalist brachten hem het  geestelijk adviseurschap van de  r.k.  journalistenvereniging.  En het maakte hem  mede oorzaak van de  vernieuwing van de r.k.  dagbladpers en de arbeidsvoorwaarden van haar journalisten. De mysticus in het alledaagse  dus.

Maar hoe alledaags is iets wat je zichtbaar tot stand bracht? “God is verborgen aanwezig, in iedere mens én in de gehele schepping. Ieder moment schept God alles dat is uit het niets tevoorschijn. Alles is in God en God is in alles. Daarom staat de mysticus niet los van het alledaagse leven, maar staat hij of zij er juist voluit in.”. Daar legt hij zelf  het samengaan van  activiteit en beschouwing”.Die knoop die iedere karmeliet in zijn of haar leven moet ontwarren. Was dat niet  zo sinds het allereerste begin?  Brandsma deed het .

Hij was een  kenner van de eigen mystiek (vertaling van werk van Teresa van Avila) en van de moderne  devotie  . Zoveel  handschriften die hij  in kopie verzamelde, en die later  aan de basis lagen van het met de universiteit verbonden Titus Brandsma instituut. Eigen werk is  b.v.  te zien op deze  afbeelding van zijn biografie van  Teresa  van Avila. Onvoltooid werk uit de gevangenis.

 

Maar eerst was hij nog hoogleraar aan de pas opgerichte r.k. universiteit van Nijmegen. Wijsbegeerte en mystiek. Hij was ook nog een jaar  rector magnificus. En dan waren er al die nevenactiviteiten tot en met de emancipatie van het Fries in Friesland. Talent en voorbeeld, denk ik dan.. Dat voorbeeld  is Teresa van Avila.

En alles gebeurde vooral binnen de r.k. zuil. En daar haalde het noodlot van de geschiedenis hem in. Al in 1936 was hij lid van het ‘comité van waakzaamheid tegen het nationaal socialisme’. Dat kon natuurlijk niet goed gaan toen de bezetting kwam. Het  voorschrift van “Geen nsb-propaganda  in een krant die zich katholiek  mag noemen”, was de druppel die de emmer die 1941 de emmer deed overlopen. Hij was de architect van het besluit en de rondgang met aartsbisschop de Jong  om dit overal ter plekke  toe te lichten was voor de SD  een ondergrondse activiteit en  maakte  daarmee van hem een gevaarlijk persoon.

Na zijn arrestatie  volgde een tocht langs meerdere gevangenissen die tenslotte eindigde in Dachau. Op die tocht werd zijn beste vriend een dominee. Altijd al zwak van gezondheid stierf  hij in Dachau op 6 juli  1942..

 

Deze  3e  afbeelding  hiernaast doet hem misschien de meeste eer. Anders  dan Theresia van Lisieux wilde hij geen martelaar zijn, maar hij stierf wel voor zijn overtuiging. Vaker niet  dan wel bad  hij op een berg alleen. Maar dat was tenslotte geen bezwaar. Titus bestaan was tot in  Dachau  “een leven dienstbaarheid ‘te midden van de mensen

En al die tijd was God’ s aanwezigheid de kern van zijn spiritualiteit. Hij was daarin in oud en beproefd gezelschap: Teresa,  broeder  Laurentius  “ Kan ik het helpen dat God zich overal laat zien?” God en mystiek  niet alleen maar naast maar ook in het alledaagse , zelfs waar dat gruwelijke vormen aanneemt

Onder de  beelden die passen bij de karmel spiritualiteit – berg, bron, mantel etc.-   is   dat van “de grot” – gestalte krijgend in de  eigen grot, de kloostercel  – zeker niet de onbelangrijkste .  En daar  zijn oude papieren voor. De grot van Elia om te beginnen, de grot- woningen van de semi eremieten, zijn eigen kloostercel in diverse Ned. kloosters en tenslotte de gevangeniscel., Altijd weer de plaats van de godservaring.

 

Afbeelding 21

Voor wie gewend is aan en misschien ook een beetje verbonden is met de nederige schaduw in stille Romaanse dorpskerkjes, is het echt wel even wennen als je de dom van Speyer (Spiers) nadert en vervolgens binnengaat. Langs de Rijn liggen daar op betrekkelijk korte afstand van elkaar drie grote keizerlijke kerken: in Mainz, Worms en Speyer. Gebouwd rond de overgang van het eerste naar tweede millennium. Mogelijk gemaakt door een economie en cultuur die zich na een paar donkere eeuwen begon te herstellen.  Romaans dus maar met de omvang van een gotische kathedraal. Die gotiek echter kwam pas later. De dom van Speyer heet de grootste Romaanse dom ter wereld.

Maar anders dan in Worms ontbreekt gek genoeg de westelijke absis, die van het wereldlijk gezag. Hier ga je dus niet onder maar gewoon tussen de twee torens naar binnen …  En dan sta je in  een hoge ruimte waar je gemakkelijk de Salische keizers met hun gevolg kunt zien lopen. Tot zover over de romaanse nederigheid. Het restauratieve herstel in de vorige eeuw heeft de tussenliggende eeuwen weggepoetst. Vooral  voor de ruimtewerking  doet dat wonderen. En  schaduw was er in de nu veel legere kerk sowieso weinig want de hoge licht beuk maakt alles helder. Zuidelijk van het altaar in de oostelijke absis is de doopkapel en daarin, heel prominent aanwezig tussen herinneringen aan andere geloofsgetuigen, het beeld van Edith Stein. Een bronzen buste met daaronder een medaillon. Afgebeeld hiernaast .

Het medaillon onder de buste bevat de volgende tekst:

<<Jodin, atheïste, christen, karmelietes, martelares. “Wie de waarheid zoekt, zoekt God of hem dat duidelijk is of niet”>> en dan haar naam cursief in goud en daaronder de jaartallen van haar geboorte en dood, 1891 -1942.

 

De foto (van Frieda Depret) hieronder  biedt  wederom Edith Stein, maar nu als zuster Theresia Benedicta  a Cruce. Twee gezichten van een christelijk en karmelitaans icoon nog van onze tijd.

Dit  tweede gezicht is al opgenomen in de rangen van de Voorbeeldigen Een raam tussen andere voorbeeldige ramen, nu in de dom van Freiburg. In een duidelijk modern handschrift maar toch verbonden met alle eeuwen. En daarom ook in beelden die blijven spreken ook als taal eens onverstaanbaar worden zou.

Heel anders is dat nog ook al op het eerste gezicht  in Speyer. Een medaillon vol woorden legt daar getuigenis af van haar verworven inzicht en verkregen geloof. In het bisdom Speyer werd zij in 1922 gedoopt en in dat zelfde jaar in de dom zelf gevormd. Edith draagt ook nog leken kleding. Ze geeft nog les op het meisjes lyceum  in de stad. De geschiedenis is hier nog lang niet af. En hoewel het medaillon haar volledige levensloop vermeldt, lijkt ze ons haar tekst nog actueel aan te zeggen. Misschien stamt hij wel allereerst uit een klaslokaal. De school waar ze les gaf ligt even verderop en ik stel me voor dat uit de hoge Duitse ramen van zo’n  lokaal op de eerste verdieping links haar stem gedecideerd klinkt als ze de les levensbeschouwing samenvat met een ferm  en droog “Also…merkt euch das: Wer die Wahrheit sucht, der sucht Gott ob es ihm klar ist oder nicht”…

In 1932 moet zij haar docentschap opgeven. Het eerste voorteken van haar latere martelaarschap. Ze verhuisde naar het Instituut voor Pedagogiek in Münster, waar ze intensief de kerkleraar Thomas van Aquino bestudeerde. Op 15 april 1934 trad zij in bij de orde van de ongeschoeide karmelietessen in Keulen en nam de kloosternaam Teresa Benedicta van het Kruis aan. Die naam was veelzeggend. De bestudering van  Juan de Cruz  kondigde  er zich in aan.  Hoe ongelijksoortig allemaal met Theresia van Lisieux. en toch  gemakkelijk passend onder dezelfde mantel. 2 jaar later liet ook Steins zus Rosa zich dopen.

Wie weet niet dat binnen 10 jaar nadien inderdaad alles geschiedenis is geworden. Oplichtende en oplevende geschiedenis, b.v. telkens als de zon haar raam verlicht. Ze vluchtte voor  de nazi -vervolging naar het  klooster in  het Limburgse Echt en werd daar in 1942 opgepakt  binnen de  extra strafmaatregel van de bezetter nu ook tegen christen-joden.  Etty Hillesum maakt  in haar dagboek  melding van de komst in Westerbork van  twee  zusters. Vast Edith en  haar zuster Rosa.  Ook voor het karmel-klooster van Echt liggen nu  twee struikelstenen. Edith’s laatste onvoltooid boek was “De wétenschap van het kruis”. Ze schreef: Niet menselijke activiteit kan ons helpen, maar wel het lijden van Christus. Daaraan deel te hebben is mijn verlangen”. Wrang om het te moeten zeggen: ze kreeg er  gelegenheid toe. Getuigenis over haar  laatste week bevestigen haar heldhaftige deugd.

Hiernaast nog een foto van een nog jongere Edith, de briljante  leerling van Husserl.

Het is na haar dood veel sneller gegaan dan met dat van vele andere ook bekende heiligen. Dat zal alles te maken hebben gehad met het exemplarische van haar eigen levenslot tegen de achtergrond van dat van zovele andere slachtoffers van de waanzin in de vorige eeuw, de 6 miljoen joden en de zovele miljoenen anderen. Haar icoon was van node.. “Dat is het nog, zegt u?”. Ja, natuurlijk.